Het energieverbruik van kunstmatige intelligentie dreigt tegen 2030 te verdubbelen en dan evenveel broeikasgassen uit te stoten als het Verenigd Koninkrijk, blijkt uit een nieuw VN-rapport. Het rapport, gepubliceerd op 7 juni 2026 door de Organisatie van de Verenigde Naties, waarschuwt dat de snelle groei van AI-technologie het mondiale elektriciteitsverbruik met ongeveer 3 procent kan doen toenemen. Daarnaast zou de vraag naar koelwater voor AI-systemen zelfs hoger liggen dan het jaarlijkse volume drinkwater dat wereldwijd wordt geconsumeerd. De studie, die de milieukosten van AI in kaart brengt op het gebied van energie, koolstof, water en landgebruik, is online beschikbaar via de website van de UNU.
Het paradoxale effect van efficiëntiewinsten
Centraal in het rapport staat het zogeheten paradox van Jevons, een economisch concept uit de negentiende eeuw van de econoom William Stanley Jevons. Die theorie stelt dat efficiëntieverbeteringen bij het gebruik van een hulpbron niet automatisch leiden tot een afname van het totale verbruik. Integendeel: zodra een technologie goedkoper en toegankelijker wordt, stijgt de vraag, wat de oorspronkelijke besparingen teniet kan doen. Jevons zag dit verschijnsel in het victoriaanse Engeland, waar verbeterde kolencentrales juist leidden tot een toename van het kolenverbruik. Toegepast op AI betekent dit dat efficiëntere modellen de adoptie van de technologie kunnen versnellen, waardoor de totale milieu-impact kan toenemen in plaats van afnemen.
Datacenters verbruiken al evenveel als Saoedi-Arabië
Het rapport illustreert deze dynamiek met concrete cijfers: in 2025 verbruikten datacenters wereldwijd evenveel elektriciteit als Saoedi-Arabië, een van de grootste energiegebruikers ter wereld. Als het AI-energieverbruik daadwerkelijk verdubbelt, zouden ongeveer 6,7 miljard bomen over een periode van tien jaar moeten worden geplant om de extra uitstoot te compenseren. Naast energie heeft de benodigde infrastructuur enorme gevolgen voor water en ruimte: naar schatting is er 9,3 biljoen liter water nodig, plus een oppervlakte die bijna tien keer zo groot is als Mexico-Stad. De auteurs benadrukken dat technische efficiëntie alleen het milieuprobleem niet oplost.
Geografische concentratie van AI-infrastructuur
Uit het VN-rapport blijkt dat de mondiale AI-infrastructuur sterk geconcentreerd is. Slechts 32 landen herbergen cloudcomputingsystemen die specifiek voor AI zijn bedoeld, en ongeveer 90 procent van die capaciteit bevindt zich in de Verenigde Staten en China. Volgens de onderzoekers dreigt deze concentratie de digitale kloof te vergroten, doordat veel landen alleen als consumenten van de technologie fungeren. Zij dragen wel de milieulasten, zoals de mijnbouw van grondstoffen en de verwerking van elektronisch afval, zonder te profiteren van de economische voordelen. De geografische ongelijkheid versterkt daarmee een bredere onbalans in de wereldwijde technologie-economie.
Verschillen in milieudruk per toepassing
De impact van AI op het milieu hangt volgens het rapport sterk af van hoe de technologie wordt gebruikt. Taken als tekstgeneratie, programmeren, beeldcreatie en videoproductie vragen elk een andere rekenkracht, wat direct het energie- en waterverbruik beïnvloedt. Ook de keuze voor een specifiek AI-model is bepalend: verschillende systemen hebben uiteenlopende milieukosten voor vergelijkbare opdrachten. Deze nuances tonen aan dat een eenduidige aanpak voor verduurzaming niet volstaat. De VN stelt daarom een reeks principes voor, waaronder transparantie, efficiëntie vanaf het ontwerp, verantwoordelijkheid over de hele levenscyclus, rechtvaardigheid, internationale samenwerking en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
Regelgeving in Nieuw-Zeeland en Australië
Het rapport bevat concrete aanbevelingen, zoals het verplicht stellen van periodieke milieurapportages tijdens de ontwikkeling en exploitatie van AI-systemen. Overheden zouden bovendien de verwachte energievraag van AI moeten opnemen in hun nationale energie- en klimaatplannen. Die urgentie neemt toe naarmate AI in publieke diensten wordt geïntegreerd. Nieuw-Zeeland en Australië hebben al nationale strategieën opgesteld om AI breder in te zetten bij de overheid: Nieuw-Zeeland creëerde een raamwerk voor verantwoorde adoptie, terwijl Australië projecten uitvoert zoals geautomatiseerde transcriptie van audiovisuele archieven en ondersteuning bij de verwerking van overheidsaanvragen. Toch waarschuwt het rapport dat beide landen kiezen voor lichte reguleringsmodellen die vooral op algemene principes zijn gebaseerd.
Volgens de VN-auteurs kan die aanpak ertoe leiden dat de milieueffecten van AI onderbelicht blijven. Zij pleiten voor een analyse van de volledige productieketen: van de winning van grondstoffen tot de recycling en afvalverwerking van de gebruikte apparatuur. Zonder zo'n systeemvisie kunnen efficiëntiewinsten teniet worden gedaan door de explosief groeiende toepassing van AI. Het rapport onderstreept dat een duurzame ontwikkeling van de technologie alleen mogelijk is met een integrale, mondiale aanpak.
